Logo Utrecht University

Educational Database

Een basismodel voor intervisiegesprekken

11 June 2015

Een basismodel voor intervisiegesprekken

Intervisie is een boeiende manier van leren met een groep van gelijkwaardige professionals. Als groep raadpleeg en adviseer je elkaar over (lastige) werk gerelateerde vragen en situaties die je in je dagelijkse werk tegen komt. Je werkt vanuit een vaste structuur waarin ieder groepslid een steeds wisselende rol heeft van inbrenger van casuïstiek, gesprekpartner tot gespreksleider. 

Lees meer over ondersteuning bij intervisie op de UU Development Guide(inloggen met SolisID).

Intervisie biedt andere manieren van kijken naar een casus en verschillende alternatieve handelingswijzen. Het ‘meedenken’ van de gesprekspartners bestaat vooral uit het stellen van vragen vanuit verschillende invalshoeken. Een intervisiegroep bestaat idealiter uit 5 à 6 deelnemers. Een bijeenkomst waarin 1 werkvraag wordt behandeld duurt ongeveer 1 a 1,5 uur.

Hieronder vind je een stapsgewijze leidraad voor een intervisiegespek.

1.       Keuze van het te bespreken ‘probleem’
a.     Rondje met mogelijke problemen (slechts luisteren, geen discussie)
b.     Kies één probleem (criteria: urgent, relevant voor anderen, herkenbaar, overall gelijke verdeling)
10 min  
2.       Probleempresentatie
a.     Probleeminbrenger schetst de situatie:
–        aanleiding, incident of andere concrete uiting van het probleem
–        context waarbinnen het zich afspeelt en betrokken personen
–        (beperkte) voorgeschiedenis, rol van de inbrenger tot nu toe, eventueel eerder geprobeerde oplossingen
–        geen details over de afloop incident, de gekozen oplossing of het vervolg; er wordt gevraagd om een passende oplossing.
b.     Gelegenheid voor vragen om verdere verheldering van de situatie
NB. geen vroege interpretaties en oordelen, geen (nieuwe)oplossingen   
5+10 min
3.       Analyse: zoeken naar de essentie / kernthema(s)
a.     Iedereen bedenkt (noteert) voor zichzelf welke thema’s en vragen hier essentieel zijn
b.     Uitwisseling / bespreking van inzichten in termen van analyse van de situatie
c.      Samenvatting van de kernthema’s (in hun onderlinge samenhang)
d.     De inbrenger kiest het voor hem/haar belangrijkste kernthema
10 min
4.       Aanpak: wat te doen?
a.     Rondje met ideeën en voorstellen over een optimale aanpak
b.     Inbrenger: Wat heb je zelf gedaan? Welke alternatieve aanpak spreekt je het meest aan?
c.      Korte discussie / vergelijking van de verschillende alternatieven in de aanpak (sterke‐zwakke punten)
15 min
5.       Opbrengst: wat hebben de deelnemers geleerd?
a.     Ieder reflecteert voor zichzelf op de eigen leerpunten.
b.     Zijn er algemene thema’s die uit deze casus naar voren komen?
c.      Hoe is deze bijeenkomst door iedereen ervaren?
d.     Eventueel: afspraken voor de procedure de volgende keer
10 min

 

Print